Optieregelingen, gouden handdrukken, maximaliseren van aandeelhouderswaarde, zelfverrijking en kortetermijnstrategieën… Maar al te vaak komt het (internationale) bedrijfsleven op negatieve wijze in het nieuws. Veel minder aandacht is er voor het familiebedrijf. Tot het einde van de jaren tachtig was het familiebedrijf voor academici wereldwijd een vreemde eend in de bijt. Het grote nadeel van een familiebedrijf was namelijk dat er ook familie bij betrokken was, en dat leidde tot irrationeel gedrag en ongewenste emoties. De academici van toen waren ervan overtuigd dat familiebedrijven ‘onhoudbare organisaties’ waren die alleen gered konden worden door de controlerende familie te vervangen door een ‘professioneel management’. De werkelijkheid is anders. Niet alleen onderscheidt het familiebedrijf zich van niet-familiebedrijven door zijn betrokkenheid en loyaliteit naar klanten en personeel, ook leidt zijn langetermijnvisie tot betere financiële resultaten. Gelukkig zijn nog lang niet alle familiebedrijven van de kaart verdwenen. Sterker: familiebedrijven zijn nog steeds de dominante vorm van ondernemerschap in de wereld. Wereldwijd is minimaal 65% van alle bedrijven een familiebedrijf. Daarbij zijn er aanzienlijke verschillen tussen landen. In Italië is het percentage familiebedrijven meer dan 90%, in Duitsland, Engeland en de VS respectievelijk 60, 70 en meer dan 75%. Meer dan 55% van de Nederlandse bedrijven is een familiebedrijf.