De toekomst bestaat niet. Als ons besef van de toekomst niet beladen was met zo veel onzekerheden, dan zouden wij beslist al eens hebben vastgesteld dat de toekomst dus geen object van studie kan zijn. De moeilijkheid met de toekomst is echter dat in het heden beslissingen genomen moeten om in de toekomst te kunnen functioneren. Deze beslissingen, zoals de ontwikkeling van producten of beleid, liggen meestal voor langere tijd vast. Om keuzes voor dergelijke beslissingen te onderbouwen worden in de praktijk verschillende methodes toegepast. Er worden prognoses opgesteld, verkenningen gedaan, scenario’s ontwikkeld, trendstudies verricht en tal van andere vormen van toekomstonderzoek verricht. Deze inspanningen bevreemden wanneer je je realiseert dat het eigenlijk onmogelijk is om onder woorden te brengen wat je niet weet. En toch gebeurt het volop. Hoe gaan beleidsmakers en ondernemers met dit dilemma om? Welke ideeën en uitgangspunten gebruiken zij om de ‘toekomstparadox’ van haar paralyserende werking te ontdoen? Op welke momenten worden in toekomstonderzoek aanspraken op geldigheid en validiteit getoetst? En op basis van welke criteria? Vormt misschien de voorspellings-waarde of trefzekerheid van de toekomstbeelden het criterium van beoordeling? Of is dat de invloed die het toekomstbeeld heeft als motief voor een te realiseren realiteit?